Toen het Verkeershuis in 1971 ten prooi viel aan de slopershamer, was dat niet verwonderlijk. Het gebouwtje had zijn beste tijd wel gehad. Volgens Dudok-kenner Herman van Bergeijk had het van begin af aan ‘een provisorisch karakter’. Het was dus nooit voor de eeuwigheid bedoeld. Maar het was wél een echte ‘Dudok’. Daarom ging de gemeente, als eigenaar, niet over één nacht ijs.

Het gemeenteebstuur vroeg advies aan Robeert Magnée, de voormalige compagnon van Dudok die een eigen architectenbureau had geopend en toezicht hield op de nalatenschap van zijn leermeester. Magnée concludeerde dat de resten niet hoefden worden bewaard.

In een brief aan het college schreef Magnée: “Dudok’s V.V.V. gebouwtje vervult thans een functie in het stadsgebeuren. Het is de vraag of deze functie in deze vorm in de toekomst gewenst wordt. Bij afbraak, opslag en herbouw is het voorts de vraag of het de moeite loont, immers het gebouwtje is er niet op is gecontrueerd uit elkaar genomen te worden”.

“In ieder geval acht ik het nuttig”, zo adviseerde Magnée, “de oorpronkelijke constructietekeningen te bewaren. (…) Indien later de gelegenheid zich voordoet kan het origineel, in de originele materialen en kleuren, herbouwd worden.”

De brief van Robert Magnée aan het gemeentebestuur.